DetailPage-MSS-KB

Knowledge Base

Artikel ID: 229716 - Laatste beoordeling: maandag 17 januari 2005 - Wijziging: 3.1

Dit artikel is eerder gepubliceerd onder NL229716
Klik op 314058  (http://support.microsoft.com/kb/314058/ ) voor een Microsoft Windows XP-versie van dit artikel.

Op deze pagina

Samenvatting

In dit artikel worden de kenmerken en beperkingen van de herstelconsole van Windows beschreven. De herstelconsole is bedoeld om u te ondersteunen wanneer uw Windows-computer niet of niet juist wordt gestart.

Meer informatie

Met de herstelconsole van Windows hebt u beperkte toegang tot de NTFS-, FAT- en FAT32-volumes zonder de grafische interface van Windows te starten. In de herstelconsole kunt u:
  • Besturingssysteembestanden en -mappen gebruiken, kopiëren, hernoemen of vervangen.
  • Het starten van services of apparaten bij het opstarten van de computer in- of uitschakelen.
  • De opstartsector van het bestandssysteem of de MBR (Master Boot Record) herstellen.
  • Partities op stations maken en formatteren.
Alleen de beheerder heeft toegang tot de herstelconsole van Windows. Onbevoegde gebruikers kunnen geen NTFS-volumes gebruiken.

De herstelconsole starten

Gebruik een van de volgende methoden om de herstelconsole te starten:
  • Start de computer op met de Windows Setup-diskettes of met de Windows-cd-rom. Als het scherm Welkom bij Setup wordt weergegeven, drukt u op F10 of drukt u op R om aan te geven dat u de noodherstelprocedure wilt uitvoeren. Druk vervolgens op C (alleen Windows 2000) om de herstelconsole van Windows te starten. Selecteer het juiste nummer voor de Windows-installatie die u wilt herstellen en typ het Administrator-wachtwoord. Als het Administrator-wachtwoord leeg is, drukt u op ENTER.
  • Voeg de herstelconsole toe aan de map Opstarten van Windows door Winnt32.exe te gebruiken met de schakeloptie /cmdcons. Hiervoor is ongeveer 7 MB vrije schijfruimte nodig op de systeempartitie waarop u de Cmdcons-map en –bestanden wilt plaatsen.

    Opmerking Raadpleeg het volgende Microsoft Knowledge Base-artikel voor meer informatie als u software-mirroring gebruikt:
    229077  (http://support.microsoft.com/kb/229077/ ) Kan Herstelconsole niet vooraf installeren door gespiegelde systeempartitie
  • Volg de aanwijzingen in het volgende artikel in de Microsoft Knowledge Base:
    222478  (http://support.microsoft.com/kb/222478/ ) Een sjabloon maken om de herstelconsole uit te voeren met een installatieserver op afstand

De opdrachtenconsole gebruiken

Nadat u de herstelconsole van Windows hebt gestart, wordt het volgende bericht weergegeven:
Windows NT(TM) Boot Console Command Interpreter.

Waarschuwing

This is a limited function command prompt intended only as a system recovery utility for advanced users. Using this utility incorrectly can cause serious system-wide problems that may require you to reinstall Windows to correct them.

Type 'exit' to leave the command prompt and reboot the system.

1: C:\WINNT

Which Windows NT installation would you like to logon to (enter to abort)?
Nadat u het nummer voor de juiste Windows-installatie hebt ingevoerd, voert u het wachtwoord voor de beheerdersaccount in. Als u driemaal een ongeldig wachtwoord opgeeft, wordt de herstelconsole afgesloten. Als de SAM-database ontbreekt of beschadigd is, kunt u de herstelconsole niet gebruiken, omdat de aanmelding niet kan worden geverifieerd. Nadat u het wachtwoord hebt opgegeven en de herstelconsole hebt gestart, typt u exit om de computer opnieuw op te starten.

Beperkingen van de opdrachtenconsole

Vanuit de herstelconsole hebt u uitsluitend toegang tot de volgende mappen:
  • De hoofdmap.
  • De map %SystemRoot% en de submappen van de Windows-installatie waarbij u zich hebt aangemeld.
  • De map Cmdcons.
  • Verwisselbare mediastations, zoals cd-rom-stations
Opmerking Als u andere mappen probeert te openen, wordt het foutbericht 'Toegang geweigerd' weergegeven. Vanuit de herstelconsole kunt u geen bestanden van de lokale vaste schijf naar een diskette kopiëren. U kunt wel bestanden van een diskette of cd-rom naar de vaste schijf kopiëren, of van de ene vaste schijf naar de andere.

Beschikbare opdrachten

HELP

De opdracht help geeft een overzicht van de volgende ondersteunde opdrachten:
attrib       delete        fixboot    md        type
cd           dir           fixmbr     mkdir     systemroot
chdir        disable       format     more
chkdsk       diskpart      help       rd
cls          enable        listsvc    ren
copy         exit          logon      rename
del          expand        map        rmdir
						

ATTRIB

Met de opdracht attrib kunt u met behulp van de volgende parameters de kenmerken van een bestand of map wijzigen:
-R
+R
-S
+S
-H
+H

+ Stelt een kenmerk in.
- Schakelt een kenmerk uit.
R Kenmerk Alleen-lezen-bestand.
S Kenmerk Systeembestand.
H Kenmerk Verborgen bestand.
Opmerking Ten minste één kenmerk moet worden ingesteld of uitgeschakeld. Als u de kenmerken wilt bekijken, gebruikt u de opdracht dir.

CD en CHDIR

Gebruik de opdrachten cd en chdir om naar een andere map te gaan. Als u cd .. typt, geeft u op dat u naar de bovenliggende map wilt gaan. Typ cd station: om de huidige map van het opgegeven station weer te geven. Typ cd zonder parameters om het huidige station en de huidige map weer te geven. De opdracht chdir behandelt spaties als scheidingstekens. U moet daarom een submapnaam waarin zich spaties bevinden, tussen dubbele aanhalingstekens plaatsen. Bijvoorbeeld:
cd "\winnt\profiles\gebruikersnaam\programma's\menu start"
De opdracht chdir werkt alleen binnen de systeemmappen van de huidige installatie van Windows, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.

CHKDSK

chkdsk station /p /r
Met deze opdracht controleert u het station en repareert of herstelt u het station indien nodig (station geeft het te controleren station aan). De opdracht markeert bovendien beschadigde sectoren en herstelt leesbare informatie.

Met de schakeloptie /p geeft u CHKDSK de opdracht een alomvattende controle van het station uit te voeren, zelfs als voor het station geen problemen worden aangegeven, en worden alle aangetroffen fouten gecorrigeerd. Met de schakeloptie /r worden beschadigde sectoren opgespoord en wordt leesbare informatie hersteld. Als u de schakeloptie /r gebruikt, wordt ook de schakeloptie /p geïmpliceerd. De opdracht chkdsk kan zonder argumenten worden opgegeven. In dat geval wordt het huidige station geïmpliceerd zonder schakelopties. Optioneel worden de vermelde schakelopties geaccepteerd. De opdracht chkdsk heeft het bestand Autochk.exe nodig. Chkdsk zoekt dit bestand automatisch in de opstartmap. Dit is doorgaans de map Cmdcons als de opdrachtenconsole vooraf werd geïnstalleerd. Als het bestand niet wordt aangetroffen in de opstartmap, zoekt Chkdsk naar het bestand op de installatiemedia voor Windows. Als de installatiemedia niet worden aangetroffen, wordt u gevraagd de locatie van het bestand Autochk.exe op te geven.

CLS

Met deze opdracht maakt u het scherm leeg.

COPY

copy brondoel
Gebruik deze opdracht als u een bestand wilt kopiëren (bron geeft het bestand aan dat moet worden gekopieerd en doel geeft de map- of bestandsnaam voor het nieuwe bestand aan). Het gebruik van jokertekens of het kopiëren van mappen is niet toegestaan. Een gecomprimeerd bestand op de Windows-cd-rom wordt automatisch uitgepakt terwijl het wordt gekopieerd.

Als doel niet wordt opgegeven, wordt standaard de actieve map gebruikt. Als het bestand al aanwezig is, wordt gevraagd of u het bestand wilt overschrijven.

DEL en DELETE

del station: padbestandsnaam
delete station: padbestandsnaam
Gebruik deze opdracht als u een bestand wilt verwijderen (station: pad bestandsnaam geeft het te verwijderen bestand aan). De opdracht delete werkt alleen binnen de systeemmappen van de huidige Windows-installatie, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen. Bij de opdracht delete kunnen geen jokertekens (*) worden gebruikt.

DIR

dir station: padbestandsnaam
Gebruik deze opdracht als u een lijst wilt weergeven met bestanden en submappen in een map (station: pad bestandsnaam geeft het station, de map en de bestanden aan die moeten worden weergegeven). Met de opdracht dir wordt een overzicht gegeven van alle bestanden, met inbegrip van verborgen bestanden en systeembestanden. Bestanden kunnen de volgende kenmerken hebben:
D - Directory       R – Alleen-lezen-bestand
H – Verborgen bestand     A – Bestanden gereed om te worden gearchiveerd
S - Systeembestand     C - Gecomprimeerd
E - Gecodeerd       P – Reparse-punt
					
De opdracht dir werkt alleen binnen de systeemmappen van de huidige Windows-installatie, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.

DISABLE

disable servicenaam
Gebruik deze opdracht als u een systeemservice of stuurprogramma van Windows wilt uitschakelen (servicenaam geeft de naam aan van de service die of het stuurprogramma dat moet worden uitgeschakeld).

Gebruik de opdracht listsvc om alle services of stuurprogramma's weer te geven die kunnen worden uitgeschakeld. De opdracht disable laat het oude starttype van de service zien voordat het op SERVICE_DISABLED wordt ingesteld. Noteer het oude starttype voor het geval het nodig is om de service opnieuw in te schakelen.

De opdracht disable geeft de volgende waarden voor het starttype weer:
SERVICE_DISABLED
SERVICE_BOOT_START
SERVICE_SYSTEM_START
SERVICE_AUTO_START
SERVICE_DEMAND_START

DISKPART

diskpart /add /delete apparaatnaamstationsnaampartitienaamgrootte
Gebruik de opdracht diskpart om de partities op de vaste-schijfvolumes te beheren.
  • /add: Een nieuwe partitie maken
  • /delete: Een bestaande partitie verwijderen
  • apparaatnaam: De apparaatnaam voor het maken van een nieuwe partitie. De naam kan worden opgehaald uit de resultaten van de opdracht MAP, bijvoorbeeld: \apparaat\vaste-schijf0.
  • stationsnaam: de stationsaanduiding voor het verwijderen van een bestaande partitie, bijvoorbeeld D:
  • partitienaam: de naam van de bestaande partitie die moet worden verwijderd. Dit argument kan worden gebruikt in plaats van het argument stationsnaam. \apparaat\vaste-schijf0\partitie1.
  • grootte: De grootte van de nieuwe partitie in megabytes
Opmerking Als er geen argumenten worden gebruikt, verschijnt een gebruikersinterface voor het beheer van uw partities.

Waarschuwing Deze opdracht kan uw partitietabel beschadigen als de schijf is bijgewerkt tot een dynamische-schijfconfiguratie. Wijzig de structuur van dynamische schijven uitsluitend met behulp van het hulpprogramma Schijfbeheer.

ENABLE

enable servicenaamstarttype

Met de opdracht enable kunt u een Windows-systeemservice of -stuurprogramma inschakelen (servicenaam is de naam van de service die of het stuurprogramma dat moet worden ingeschakeld).

Gebruik de opdracht listsvc om alle services of stuurprogramma's weer te geven die kunnen worden ingeschakeld. De opdracht enable laat het oude starttype van de service zien voordat de nieuwe waarde wordt ingesteld. Noteer het oude starttype voor het geval het nodig is om het starttype van de service te herstellen.

Geldige waarden voor starttype zijn:
SERVICE_BOOT_START
SERVICE_SYSTEM_START
SERVICE_AUTO_START
SERVICE_DEMAND_START
Opmerking Als u geen nieuw starttype opgeeft, wordt met de opdracht enable het oude starttype weergegeven.

EXIT

Gebruik de opdracht exit om de opdrachtenconsole af te sluiten en de computer opnieuw op te starten.

EXPAND

expand bron [/F:bestandsspec] [doel] [/y]
expand bron [/F:bestandsspec] /D
Gebruik deze opdracht als u een bestand wilt uitbreiden (bron geeft het bestand aan dat moet worden uitgebreid en doel geeft de map voor het nieuwe bestand aan).

Opmerking Bij deze opdracht kunnen geen jokertekens worden gebruikt.
Als doel niet wordt opgegeven, wordt standaard de actieve map gebruikt.

opties:
  • /y: niet vragen om bevestiging voordat een reeds aanwezig bestand wordt overschreven.
  • /f:filespec: als de bron meer dan één bestand bevat, is deze parameter vereist ter aanduiding van de bestanden die moeten worden uitgebreid. Hierbij kunnen jokertekens worden gebruikt.
  • /d: niet uitbreiden; alleen een lijst weergeven van de bestanden die zich in de bron bevinden.
Het doel kan elke map zijn in de systeemmappen van de huidige Windows-installatie, de hoofdmap van het station, de lokale installatiebronnen of de map Cmdcons. Het doel kan geen verwisselbaar medium zijn. Het doelbestand kan niet het kenmerk Alleen-lezen hebben. Gebruik de opdracht attrib om het kenmerk Alleen-lezen te verwijderen.

Met expand wordt u gevraagd of het doelbestand al bestaat, tenzij u /y gebruikt.

FIXBOOT

fixboot stationsnaam:
Gebruik deze opdracht als u de nieuwe Windows-opstartsectorcode naar de opstartpartitie wilt schrijven (stationsnaam is de aanduiding van het station waarnaar de opstartsector wordt geschreven). Hierdoor worden problemen opgelost als de opstartsector van Windows beschadigd is. De herstelprocedure herstelt tevens de opstartsector. Dit heeft voorrang boven de standaardinstelling, waarbij naar de systeemopstartpartitie wordt geschreven.

FIXMBR

fixmbr apparaatnaam
Gebruik deze opdracht als u de MBR (Master Boot Record) van de systeempartitie wilt herstellen (apparaatnaam is een optionele naam die het apparaat aangeeft dat een nieuwe MBR moet krijgen). Deze opdracht wordt gebruikt in scenario's waar de MBR is beschadigd door een virus en Windows niet kan worden gestart.

Waarschuwing Met deze opdracht kunnen uw partitietabellen worden beschadigd als een virus aanwezig is of een hardwareprobleem is opgetreden. De opdracht kan niet-toegankelijke partities tot gevolg hebben. Microsoft raadt u aan antivirussoftware uit te voeren voordat u deze opdracht gebruikt.

De naam kan worden opgehaald uit de resultaten van de opdracht map. Als dit argument wordt weggelaten, wordt de MBR van het opstartapparaat hersteld. Bijvoorbeeld:
fixmbr \apparaat\vaste-schijf2
Als Fixmbr een ongeldige of niet-standaard partitietabelhandtekening detecteert, wordt uw toestemming gevraagd voordat de MBR opnieuw wordt geschreven.

FORMAT

format station: /Q/FS:bestandssysteem
Gebruik deze opdracht als u het opgegeven station wilt formatteren met het opgegeven bestandssysteem (met /Q voert u een snelle formattering uit van het station, station is de stationsaanduiding van de te formatteren partitie en /FS:bestandssysteem geeft het te gebruiken type bestandssysteem op [FAT, FAT32 of NTFS]).

Als geen bestandssysteem wordt opgegeven, wordt de bestaande bestandssysteemindeling gebruikt (indien beschikbaar).

LISTSVC

De opdracht listsvc geeft een overzicht van alle beschikbare services, stuurprogramma's en bijbehorende starttypen voor de huidige Windows 2000-installatie. Deze opdracht kan nuttig zijn in combinatie met de opdrachten disable en enable.

Opmerking Deze gegevens worden opgehaald uit het onderdeel %SystemRoot%\System32\Config\SYSTEM. Als het onderdeel SYSTEM beschadigd is of ontbreekt, kan dit onvoorspelbare resultaten tot gevolg hebben.

LOGON

logon
De opdracht logon geeft een overzicht van alle gedetecteerde installaties van Windows en vraagt naar het lokale Administrator-wachtwoord voor de Windows-installatie waarbij u zich wilt aanmelden. Als meer dan drie aanmeldingspogingen mislukken, wordt de console afgesloten en wordt de computer opnieuw opgestart.

MAP

map arc
Gebruik deze opdracht als u een overzicht wilt weergeven van de stationsaanduidingen, bestandssysteemtypen, partitiegrootten en toewijzingen aan fysieke apparaten (met de parameter arc wordt hierbij aan de opdracht map doorgegeven dat ARC-paden in plaats van Windows Device-paden moeten worden gebruikt).

MD en MKDIR

Met de opdrachten md of mkdir worden nieuwe mappen gemaakt. Jokertekens worden niet ondersteund. De opdracht mkdir werkt alleen binnen de systeemmappen van de huidige installatie van Windows, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.

MORE

more bestandsnaam
Met de opdracht MORE kunt u een tekstbestand weergeven op het scherm.

RD en RMDIR

Met de opdrachten rd en rmdir verwijdert u een map. Deze opdrachten werken alleen binnen de systeemmappen van de huidige Windows-installatie, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.

REN en RENAME

Met de opdrachten ren en rename kunt u de naam van een bestand wijzigen. U kunt geen nieuw station of pad voor het doelbestand opgeven. Deze opdrachten werken alleen binnen de systeemmappen van de huidige Windows-installatie, verwisselbare media, de hoofdmap van een vaste-schijfpartitie of de lokale installatiebronnen.

SET

Met de opdracht set kunt u vier omgevingsopties weergeven of wijzigen.
AllowWildCards = FALSE AllowAllPaths = FALSE AllowRemovableMedia = FALSE NoCopyPrompt = FALSE

SYSTEMROOT

De opdracht systemroot stelt de huidige werkmap in op de map %SystemRoot% van de Windows-installatie waarbij u zich hebt aangemeld.

TYPE

type bestandsnaam
Met de opdracht type geeft u een tekstbestand weer.

De informatie in dit artikel is van toepassing op:
  • Microsoft Windows® 2000 Server
  • Microsoft Windows 2000 Advanced Server
  • Microsoft Windows 2000 Professional Edition
  • Microsoft Windows 2000 Datacenter Server
Trefwoorden: 
kbinfo KB229716
Delen
Extra ondersteuningsopties
Microsoft Community Support-forums
Neem rechtstreeks contact met ons op
Een door Microsoft gecertificeerde partner zoeken
Microsoft Store